In het najaar van 2004 werd het plan opgevat om een publicatie te verzorgen met betrekking tot het 'industrieel' verleden van Kortenbos. Bij de beschrijving daarvan hebben de auteurs zich gericht op oude, maar ook op nog bestaande ambachten. In verschillende publicaties over Den Haag is het industrieel verleden van de stad beschreven. Meestal wordt daarin aandacht besteed aan bekende, vaak grotere industrieën. Minder bekend is de (hand)nijverheid die gedurende langere of kortere tijd haar stempel heeft gedrukt op een bepaalde stadswijk, zoals ook in Kortenbos.

Zo schrijft Quirinus van der Meer in zijn boekje: Het was niet alleen een arme maar ook een zeer levendige en boeiende buurt waarvan het leek alsof alles zich op straat afspeelde. 's Zomers stonden van fabriekjes, werkplaatsen en bedrijven de deuren open. Behalve de grote brouwerij en limonadefabriek waren er twee broodfabrieken, een koffiebranderij, een rijtuighouderij, smederijen, een mosterdmakerij en grutterij, de grote parkeergarage, bakfietsverhuurders, houthandelaren, brandstoffenbedrijven ofwel kolenboeren, aardappelpakhuizen, een koninklijke verhuizer, drankenhandelaren, veel cafés, meubelmakers, brood- en banketbakkerijen, installatiebedrijven, een grammofoonwinkel, timmerbazen, een stoelenmatter, een graveur, een bloemenwinkel, een wafelbakker, klokkenmakers, kruideniers, schoenmakers, huisschilders, behangers, kappers, schoorsteenvegers, kleermakerijen, garen- en bandwinkels, twee winkels voor herenhoeden en herenpetten, één van moeder Carmiggelt aan het Westeinde, één van Bik aan de Geest, snoepzaken, een poelier, boekbinders, melkhandelaren, slagerijen, een boterboer, kaasboeren, een eierhandelaar, tabakswinkels, groentezaken, waterstokerijen, uitdragerijen, een boekwinkel en ga zo maar door.
Zoals u ziet heeft de wijk Kortenbos in zijn geschiedenis veel vormen van nijverheid gekend. Ze zijn in de loop der jaren vrijwel alle verdwenen. De opzet was dit onderbelichte aspect in de wijkgeschiedenis te onderzoeken en de verkregen informatie neer te leggen in een, ook voor de historisch niet geschoolde bewoners aantrekkelijke publicatie. Daarvoor is uitgebreid literatuuronderzoek verricht en zijn vele bronnen, waaronder het Haagse gemeentearchief en verschillende bedrijfsarchieven, geraadpleegd. Ook zijn ondernemers, bewoners en zo mogelijk voormalige werknemers of de verwanten daarvan geinterviewd. Verschillende mensen waren ook bereid om materiaal zoals foto's en knipsels beschikbaar te stellen. Sommige sporen liepen dood, maar andere vertelden een boeiend verhaal.

U zult van dit boek genieten. Als u zich daarbij het volgende citaat van Quirinus van der Meer in gedachten haalt, moet dat zeker lukken: In de eerste helft van de twintigste eeuw rook het in de buurt vooral naar mout van de Zuid-Hollandsche Bierfabriek. In het Westeinde rook je koffie van branderij Kok. Bij de hoefsmid in het Kortenbosch de scherpe lucht van schroeiend eelt, verderop de vreemde geuren van lege flessen, lompen en oude metalen. Op de Noordwal veel paardevijgen, groente, fruit, aardappelen, turf, krulvuurmakers, hout en tenslotte ongebluste kalk bij smederij Visser. In de Breedstraat zure Duitse kuch van de militaire broodfabriek, melklucht, drukinkt en papier, rubber van de vulcaniseerinrichting. Bij Dopmeijer aan het Slijkeinde vislucht en zuur van augurken. Langs de vele, vele cafés bier- en jenevergeuren.

Dit boek is tijdens de aanwezigheid van Jeanine Fall in de Wijkwinkel verkrijgbaar